Zijn er uitzonderingen voor het aanstellen van een ADR-veiligheidsadviseur in België?

Bedrijven die in België gevaarlijke goederen verzenden, vervoeren, verpakken, vullen, laden of lossen, kunnen verplicht zijn om een ADR-veiligheidsadviseur aan te stellen. Toch betekent het werken met ADR-goederen niet automatisch dat iedere onderneming een veiligheidsadviseur nodig heeft. Naast de regels van het ADR zelf is daarbij vooral de Belgische en, voor ondernemingen in Vlaanderen, de Vlaamse regelgeving van belang.

Voor Vlaanderen is een belangrijke juridische basis het Koninklijk Besluit van 5 juli 2006 betreffende de aanwijzing en de beroepsbekwaamheid van veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren. Dit besluit is voor Vlaanderen aangepast en wordt in de Vlaamse Codex geconsolideerd weergegeven.

Artikel 3 bepaalt op welke ondernemingen de verplichtingen van toepassing zijn, maar bevat tegelijkertijd een aantal concrete uitzonderingen. Daardoor kan een onderneming die met gevaarlijke goederen werkt in bepaalde gevallen toch buiten de verplichting vallen om een ADR-veiligheidsadviseur aan te stellen.

Wie moet normaal een veiligheidsadviseur aanstellen?

Volgens artikel 3, §1 van het besluit vallen ondernemingen onder de regeling wanneer hun activiteiten de verzending of het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren omvatten. Ook ondernemingen die daarmee samenhangende laad-, los-, vul- of verpakkingswerkzaamheden uitvoeren vallen in beginsel onder het toepassingsgebied.

Voor het wegvervoer sluit dit aan bij ADR 1.8.3. Een belangrijk aandachtspunt is dat dus niet alleen vervoerders worden geraakt. Ook een fabrikant, webshop, chemische groothandel, logistiek bedrijf of distributeur die gevaarlijke goederen als afzender verzendt, kan onder de verplichting vallen.

Sinds de uitbreiding naar afzenders is het daarom niet voldoende om te vragen of een bedrijf zelf ADR-vrachtwagens heeft. Een onderneming kan al binnen het toepassingsgebied vallen doordat zij gevaarlijke goederen voor vervoer aanbiedt.

Vervolgens moet echter worden onderzocht of één van de Belgische/Vlaamse uitzonderingen van toepassing is.

Vrijstellingen uit ADR 1.1.3

De eerste belangrijke uitzondering heeft betrekking op vervoer waarvoor het ADR zelf een vrijstelling volgens afdeling 1.1.3 kent. Wanneer de activiteiten van de onderneming zich beperken tot vervoer waarvoor zo’n vrijstelling geldt, bepaalt artikel 3, §2 van de Belgische regeling dat het besluit betreffende de veiligheidsadviseur niet van toepassing is.

Hieronder kunnen verschillende ADR-vrijstellingen vallen. Een in de praktijk zeer bekende regeling is ADR 1.1.3.6, meestal aangeduid als de 1.000-puntenregeling.

Bij vervoer in colli wordt aan de hand van de vervoerscategorie van de gevaarlijke goederen bepaald hoeveel per transporteenheid kan worden vervoerd voordat de grens van deze gedeeltelijke vrijstelling wordt overschreden. Daarbij is het belangrijk om te beseffen dat niet iedere kilogram of liter één punt vertegenwoordigt. De berekening hangt af van de vervoerscategorie waarin het gevaarlijke goed is ingedeeld.

Wanneer een onderneming zich daadwerkelijk beperkt tot activiteiten die onder de toepasselijke vrijstelling vallen, kan dit dus gevolgen hebben voor de verplichting een ADR-veiligheidsadviseur aan te stellen.

Dat betekent overigens niet dat “onder 1.000 punten geen ADR geldt”. Een aantal ADR-verplichtingen blijft ook bij toepassing van ADR 1.1.3.6 bestaan.

Limited Quantities en Excepted Quantities

De Vlaamse toepassing van het KB van 5 juli 2006 noemt daarnaast expliciet vervoer waarvoor hoofdstuk 3.4 of hoofdstuk 3.5 van het ADR in een vrijstelling voorziet.

Hoofdstuk 3.4 betreft Limited Quantities (LQ), oftewel gelimiteerde hoeveelheden. Deze vervoersvorm komt veel voor bij onder andere verven, lijmen, spuitbussen, onderhoudsproducten en andere verpakte gevaarlijke goederen.

Hoofdstuk 3.5 heeft betrekking op Excepted Quantities (EQ). Daarbij gaat het om zeer kleine hoeveelheden gevaarlijke goederen die onder specifieke voorwaarden volgens een sterk vereenvoudigd regime mogen worden vervoerd.

Wanneer de activiteiten van een onderneming zich daadwerkelijk beperken tot vervoer dat onder deze uitzonderingen valt, kan zij buiten het toepassingsgebied van de regeling voor de veiligheidsadviseur vallen.

Het woord beperken is daarbij essentieel. Een onderneming die voornamelijk LQ-zendingen heeft, maar daarnaast regelmatig volledig gereguleerde ADR-zendingen verzendt, kan niet automatisch concluderen dat geen veiligheidsadviseur nodig is.

Een bijzondere Belgische uitzondering: minder dan 50 ton per jaar

Voor Belgische ondernemingen is er nog een bijzonder belangrijke uitzondering die niet simpelweg uit de algemene tekst van ADR 1.8.3 kan worden afgeleid.

Artikel 3, §2 voorziet namelijk onder voorwaarden in een uitzondering voor binnenlands vervoer van minder dan 50 ton netto gevaarlijke goederen per kalenderjaar, evenals daarmee samenhangende laad-, los-, vul- of verpakkingswerkzaamheden.

Deze uitzondering geldt echter niet voor alle gevaarlijke goederen.

De regeling is beperkt tot gevaarlijke goederen die zijn ingedeeld bij de letters A, O of F van klasse 2, of bij verpakkingsgroep II of III van de klassen 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8 en 9.

Dat is een belangrijk verschil met de soms gehoorde stelling dat een Belgisch bedrijf dat minder dan 50 ton gevaarlijke goederen per jaar vervoert nooit een veiligheidsadviseur nodig heeft. Zo algemeen mag de uitzondering niet worden toegepast.

Er moet worden gecontroleerd welke gevaarlijke goederen het betreft, tot welke klasse en eventueel verpakkingsgroep ze behoren, of het daadwerkelijk om binnenlands vervoer gaat en of de totale relevante hoeveelheid beneden de wettelijke grens blijft.

Een onderneming die van deze uitzondering gebruik wil maken, doet er daarom verstandig aan de vervoerde hoeveelheden gedurende het kalenderjaar aantoonbaar bij te houden.

Lossen op de eindbestemming

Een andere interessante uitzondering betreft het lossen van gevaarlijke goederen op hun eindbestemming.

De Vlaamse geconsolideerde regelgeving definieert een eindbestemming als een onderneming waar transporten van gevaarlijke goederen aankomen die onder het toepassingsgebied vallen, maar van waaruit geen dergelijke transporten vertrekken.

Artikel 3, §2 noemt het lossen van gevaarlijke goederen op hun eindbestemming vervolgens als activiteit waarop het besluit niet van toepassing is.

Dit kan bijvoorbeeld relevant zijn voor een bedrijf dat gevaarlijke goederen uitsluitend ontvangt en deze op zijn eigen locatie lost, zonder vanuit die onderneming zelf ADR-transporten te laten vertrekken.

Zodra vanuit de locatie wel gevaarlijke goederen worden verzonden, moet opnieuw naar de concrete situatie worden gekeken.

Ook UN 3373 kent een specifieke uitzondering

De Belgische/Vlaamse regeling noemt daarnaast expliciet UN 3373, BIOLOGISCHE STOF, CATEGORIE B.

Wanneer deze goederen zijn verpakt overeenkomstig verpakkingsinstructie P650 van ADR 4.1.4.1, vallen de betreffende activiteiten onder de in artikel 3, §2 genoemde uitzondering.

Dit is vooral relevant voor bijvoorbeeld medische instellingen, laboratoria, diagnostische diensten en andere organisaties die biologische monsters verzenden.

Ook hier geldt dat gekeken moet worden naar alle activiteiten van de onderneming. Wanneer naast UN 3373 andere volledig gereguleerde gevaarlijke goederen worden verzonden, kan alsnog een verplichting ontstaan.

Een uitzondering betekent niet dat alle ADR-verplichtingen verdwijnen

Dit is misschien wel het belangrijkste praktische aandachtspunt. Geen ADR-veiligheidsadviseur hoeven aanstellen betekent niet automatisch dat een onderneming verder niets meer met het ADR hoeft te doen.

Een bedrijf kan bijvoorbeeld gebruikmaken van een vrijstelling waardoor geen veiligheidsadviseur noodzakelijk is, terwijl werknemers nog steeds werkzaamheden uitvoeren waarvoor kennis van de ADR-voorschriften noodzakelijk is.

Voor personeel dat taken uitvoert die betrekking hebben op het vervoer van gevaarlijke goederen kan ADR 1.3 relevant blijven. De vereiste opleiding moet aansluiten bij de verantwoordelijkheden en werkzaamheden van de betreffende werknemer.

Denk aan magazijnmedewerkers die gevaarlijke goederen verpakken, expeditiemedewerkers, medewerkers die LQ-zendingen gereedmaken of werknemers die gevaarlijke goederen laden.

Ook de voorwaarden van de gebruikte vrijstelling zelf moeten uiteraard worden nageleefd.

Leg de beoordeling schriftelijk vast

Voor een Belgische onderneming die besluit geen veiligheidsadviseur aan te stellen, is het verstandig om niet alleen mondeling vast te stellen dat een uitzondering wordt gebruikt.

Leg vast welke gevaarlijke goederen worden verzonden of vervoerd, welke UN-nummers en klassen van toepassing zijn, welke hoeveelheden worden behandeld en welke rollen de onderneming binnen het ADR vervult.

Wanneer de uitzondering van minder dan 50 ton per kalenderjaar wordt gebruikt, moet bovendien worden gecontroleerd of de goederen binnen de daarvoor toegestane klassen en verpakkingsgroepen vallen en of sprake is van binnenlands vervoer.

Bij toepassing van LQ, EQ of ADR 1.1.3.6 moet eveneens kunnen worden aangetoond dat daadwerkelijk aan de voorwaarden wordt voldaan.

Deze beoordeling moet bovendien worden herzien wanneer de activiteiten veranderen. Een nieuw product, een grotere klant, export naar het buitenland of een toename van de jaarlijkse hoeveelheid kan ertoe leiden dat een eerder geldige uitzondering niet meer toepasbaar is.

Wanneer is een ADR-veiligheidsadviseur dan wel nodig?

Wanneer de activiteiten van een onderneming vallen onder artikel 3, §1 en geen van de toepasselijke uitzonderingen van §2 kan worden gebruikt, bepaalt artikel 4 dat de onderneming over één of meerdere veiligheidsadviseurs moet beschikken.

De functie kan worden uitgevoerd door de bedrijfsleider, een werknemer of een externe veiligheidsadviseur, mits de persoon over het vereiste scholingscertificaat beschikt en zijn taken daadwerkelijk kan uitvoeren.

De conclusie is daarom dat er in België en specifiek Vlaanderen zeker uitzonderingen bestaan op de verplichting een ADR-veiligheidsadviseur aan te stellen. Die uitzonderingen zijn bovendien concreter dan alleen de algemene uitzonderingsmogelijkheid uit ADR 1.8.3.

Een onderneming moet echter steeds naar haar volledige activiteiten kijken. Het enkele feit dat men minder dan 1.000 punten vervoert, voornamelijk LQ verzendt of minder dan 50 ton per jaar behandelt, is zonder verdere beoordeling onvoldoende om te concluderen dat geen veiligheidsadviseur nodig is.

Twijfel over de verplichting?

Twijfelt u of uw onderneming in België een ADR-veiligheidsadviseur moet aanstellen? Dan kan een inventarisatie van de vervoersactiviteiten duidelijkheid geven. Daarbij worden onder andere de UN-nummers, ADR-klassen, verpakkingsgroepen, hoeveelheden, vervoerswijzen en gebruikte vrijstellingen beoordeeld. Op basis daarvan kan worden vastgesteld of uw onderneming verplicht een ADR-veiligheidsadviseur moet aanstellen of terecht gebruik kan maken van één van de Belgische uitzonderingen.

Raadpleeg uw ADR Veiligheidsadviseur vandaag nog!

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmailby feather