Veel Belgische bedrijven versturen producten die volgens het ADR als gevaarlijke goederen zijn geclassificeerd, maar die vanwege de kleine hoeveelheden per binnenverpakking als Limited Quantities, meestal afgekort tot LQ, worden vervoerd. Denk bijvoorbeeld aan spuitbussen, verven, lijmen, onderhoudsproducten, reinigingsmiddelen en verschillende andere chemische producten.
Daarbij ontstaat regelmatig de vraag: als mijn onderneming uitsluitend Limited Quantities verstuurt, moet ik dan toch een ADR-veiligheidsadviseur aanstellen?
Voor ondernemingen in Vlaanderen is het antwoord in beginsel duidelijk: wanneer de activiteiten zich daadwerkelijk beperken tot vervoer waarvoor hoofdstuk 3.4 van het ADR in een vrijstelling voorziet, is de Belgische regeling betreffende het aanstellen van een veiligheidsadviseur niet van toepassing. Dat betekent dat een onderneming die uitsluitend correct gebruikmaakt van de LQ-regeling in beginsel geen ADR-veiligheidsadviseur hoeft aan te stellen.
Daar zit echter een belangrijke voorwaarde aan. Het moet daadwerkelijk gaan om goederen die volgens alle voorwaarden van ADR hoofdstuk 3.4 als Limited Quantities mogen worden vervoerd. Zodra daarnaast andere ADR-zendingen plaatsvinden, moet de situatie opnieuw worden beoordeeld.
Wat zegt de Belgische wetgeving?
Voor Vlaanderen is naast het ADR het Koninklijk Besluit van 5 juli 2006 betreffende de aanwijzing en de beroepsbekwaamheid van veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren van belang.
Artikel 3, §1 bepaalt dat de regeling onder andere van toepassing is op ondernemingen waarvan de activiteiten de verzending of het vervoer van gevaarlijke goederen omvatten. Ook ondernemingen die samenhangende laad-, los-, vul- of verpakkingswerkzaamheden uitvoeren, kunnen hieronder vallen.
Vervolgens komt echter de belangrijke uitzondering. Artikel 3, §2 bepaalt dat het besluit niet van toepassing is op ondernemingen waarvan deze activiteiten zich beperken tot onder andere vervoer van gevaarlijke goederen waarvoor het ADR in een vrijstelling volgens afdeling 1.1.3 of hoofdstuk 3.4 of 3.5 voorziet.
Hoofdstuk 3.4 is precies het hoofdstuk waarin de regels voor Limited Quantities zijn opgenomen.
Voor een Vlaams bedrijf dat uitsluitend geldige LQ-zendingen uitvoert, is dit dus een belangrijke wettelijke uitzondering op de verplichting een ADR-veiligheidsadviseur aan te stellen.
Wanneer is een zending werkelijk Limited Quantity?
Dat klinkt eenvoudiger dan het soms in de praktijk is. Een product wordt niet automatisch een Limited Quantity doordat er maar weinig van wordt verzonden of doordat een LQ-kenmerk op de doos wordt aangebracht.
Eerst moet worden vastgesteld of het betreffende gevaarlijke goed volgens het ADR überhaupt onder de LQ-regeling mag worden vervoerd. Daarvoor wordt gekeken naar de betreffende positie in tabel A van ADR hoofdstuk 3.2.
In kolom 7a staat voor het betreffende UN-nummer aangegeven welke maximale hoeveelheid per binnenverpakking onder de LQ-regeling is toegestaan. Staat daar bijvoorbeeld 1 L, dan moet aan die grens per binnenverpakking worden voldaan. Staat in kolom 7a een 0, dan kan voor die betreffende positie geen gebruik worden gemaakt van de Limited Quantities-regeling.
Vervolgens moet ook aan de overige voorschriften van hoofdstuk 3.4 worden voldaan. Het gaat dus niet alleen om de hoeveelheid.
De verpakking moet geschikt zijn, de binnenverpakkingen moeten binnen de toegestane grenzen blijven en de buitenverpakking moet aan de toepasselijke voorwaarden voldoen. Ook gelden maximale brutomassa’s voor bepaalde verpakkingsvormen en moet de verpakking van de voorgeschreven LQ-kenmerking worden voorzien.
Alleen wanneer aan het volledige pakket voorwaarden wordt voldaan, kan een zending daadwerkelijk als Limited Quantity worden behandeld.
Alleen een LQ-etiket plakken is niet voldoende
In magazijnen wordt nog weleens gedacht dat de LQ-regeling vooral een kwestie van etikettering is. Een medewerker ziet dat een product gevaarlijk is, verpakt enkele flessen in een doos en brengt vervolgens het zwart-witte Limited Quantity-kenmerk aan.
Dat is onvoldoende.
Vooraf moet worden vastgesteld welk UN-nummer van toepassing is, welke vervoersclassificatie geldt en hoeveel product per binnenverpakking onder LQ mag worden vervoerd. Daarnaast moet worden gecontroleerd of de gebruikte combinatieverpakking aan de toepasselijke voorwaarden voldoet.
Voor bijvoorbeeld spuitbussen kan een andere maximale hoeveelheid gelden dan voor een brandbare vloeistof in flessen. Ook verschillende gevaarlijke goederen binnen dezelfde ADR-klasse kunnen verschillende LQ-limieten hebben.
Een onderneming die gebruikmaakt van de uitzondering voor een ADR-veiligheidsadviseur moet dus wel zeker weten dat haar zendingen werkelijk binnen hoofdstuk 3.4 vallen.
Wat als ik één gewone ADR-zending verstuur?
Hier wordt de situatie interessanter. De Belgische uitzondering is geformuleerd voor ondernemingen waarvan de activiteiten zich beperken tot vervoer waarvoor de genoemde ADR-vrijstellingen gelden.
Een bedrijf dat uitsluitend LQ-zendingen verstuurt, bevindt zich daardoor in een andere situatie dan een onderneming die voor 95% LQ verstuurt en daarnaast regelmatig volledig gereguleerde ADR-zendingen heeft.
Zodra activiteiten niet meer uitsluitend binnen de genoemde vrijstellingen vallen, kan niet zonder meer op de LQ-uitzondering voor de veiligheidsadviseur worden vertrouwd.
Dat betekent overigens nog niet automatisch dat bij de eerste niet-LQ-zending altijd een veiligheidsadviseur moet worden aangesteld. Er kunnen andere Belgische uitzonderingen relevant zijn. Zo kent de Vlaamse toepassing onder bepaalde voorwaarden ook een uitzondering voor minder dan 50 ton netto gevaarlijke goederen per kalenderjaar bij specifiek aangewezen klassen en verpakkingsgroepen.
Er moet dan echter een nieuwe beoordeling worden gemaakt. De eenvoudige conclusie “wij versturen LQ en hebben daarom geen veiligheidsadviseur nodig” is op dat moment niet meer voldoende.
Hoe zit het met grote hoeveelheden LQ?
Een andere interessante situatie ontstaat wanneer een onderneming zeer grote aantallen Limited Quantity-verpakkingen verzendt.
Het feit dat er bijvoorbeeld dagelijks pallets met LQ-goederen vertrekken, verandert niet automatisch de classificatie van de individuele verpakkingen. Wanneer de goederen en verpakkingen aan hoofdstuk 3.4 voldoen, blijven het LQ-zendingen.
Bij grotere hoeveelheden ontstaan echter wel aanvullende vervoersvoorschriften. Zo kent hoofdstuk 3.4 onder andere voorschriften voor de kenmerking van transporteenheden en containers wanneer de hoeveelheid verpakte gevaarlijke goederen die als Limited Quantities wordt vervoerd bepaalde grenzen overschrijdt.
Een vrijstelling betekent dus niet dat er onbeperkt goederen zonder verdere voorschriften kunnen worden vervoerd.
Dit illustreert waarom een bedrijf dat geen veiligheidsadviseur hoeft aan te stellen toch voldoende ADR-deskundigheid binnen de organisatie nodig heeft.
Hebben medewerkers nog wel ADR-opleiding nodig?
Dit is waarschijnlijk het belangrijkste misverstand rond de uitzondering. Geen verplichting tot het aanstellen van een ADR-veiligheidsadviseur betekent niet automatisch geen ADR-opleidingsverplichtingen.
Werknemers van wie de werkzaamheden betrekking hebben op het vervoer van gevaarlijke goederen moeten overeenkomstig de toepasselijke voorschriften worden opgeleid voordat zij hun werkzaamheden zelfstandig uitvoeren.
Voor een onderneming die LQ-zendingen voorbereidt kan dit bijvoorbeeld betrekking hebben op magazijnmedewerkers die goederen verpakken, medewerkers die controleren of de juiste LQ-verpakking wordt gebruikt, expeditiemedewerkers en personen die de goederen voor vervoer aanbieden.
Deze medewerkers moeten onder andere begrijpen wat Limited Quantities zijn, hoe zij kunnen vaststellen of een product onder LQ mag worden verzonden, welke verpakkingslimieten gelden en welke kenmerking noodzakelijk is.
Een bedrijf kan dus volledig zijn vrijgesteld van de verplichting een veiligheidsadviseur aan te stellen en tegelijkertijd wel degelijk werknemers moeten opleiden.
Leg vast waarom geen veiligheidsadviseur is aangesteld
Voor ondernemingen die uitsluitend Limited Quantities verzenden, is het verstandig de reden waarom geen ADR-veiligheidsadviseur is aangesteld schriftelijk vast te leggen.
Maak bijvoorbeeld een overzicht van de gevaarlijke goederen die worden verzonden, inclusief UN-nummers en ADR-klassen. Controleer voor ieder product de toegestane hoeveelheid uit kolom 7a van tabel A en leg vast dat de gebruikte verpakkingsconfiguraties voldoen aan hoofdstuk 3.4.
Daarmee kan de onderneming aantonen dat zij niet simpelweg heeft besloten geen veiligheidsadviseur aan te stellen, maar bewust gebruikmaakt van de toepasselijke wettelijke uitzondering.
Controleer deze inventarisatie vervolgens wanneer nieuwe producten worden toegevoegd. Eén nieuw gevaarlijk goed dat niet als LQ kan worden verzonden kan aanleiding zijn om de beoordeling opnieuw uit te voeren.
Dus: heb ik een ADR-veiligheidsadviseur nodig als ik alleen LQ verstuur?
Voor een onderneming in Vlaanderen die haar activiteiten daadwerkelijk beperkt tot het verzenden en behandelen van gevaarlijke goederen die correct onder ADR hoofdstuk 3.4 Limited Quantities vallen, geldt op grond van de Belgische/Vlaamse regeling een uitzondering op de verplichting een ADR-veiligheidsadviseur aan te stellen.
Maar de woorden “alleen Limited Quantities” moeten dan ook letterlijk kloppen.
Controleer daarom niet alleen wat er normaal gesproken wordt verzonden, maar alle ADR-goederen die de onderneming verlaten. Controleer de UN-nummers, LQ-limieten, verpakkingen en kenmerking en leg de beoordeling vast.
Zodra naast LQ ook volledig gereguleerde ADR-zendingen plaatsvinden, moet opnieuw worden onderzocht of een veiligheidsadviseur noodzakelijk is of dat een andere Belgische uitzondering kan worden toegepast.
Een bedrijf hoeft dus niet onnodig een ADR-veiligheidsadviseur aan te stellen wanneer het aantoonbaar uitsluitend binnen de LQ-uitzondering werkt. Het moet wel beschikken over voldoende kennis om ervoor te zorgen dat die uitzondering correct wordt toegepast.